Artikel: Politiek zonder politici

6 juli 2026

I
Zou de samenleving nu beter functioneren indien de politieke partij van jouw voorkeur inmiddels al decennialang een absolute meerderheid zou hebben gehad in de Tweede Kamer, de Eerste Kamer, de Provinciale Staten van alle provincies en de gemeenteraden van alle gemeenten?

Of is het eigenlijk zo gek nog niet dat nu en in het verleden ook andere politieke partijen hun opvattingen effectief hebben kunnen inbrengen, zodat meer diverse meningen invloed hebben gehad op de richting die onze samenleving is ingeslagen, en specifieke stokpaardjes minder kans hebben gekregen om de richting te bepalen?

Is het so wie so niet verstandig om een land te besturen, een bedrijf te leiden of een vereniging te besturen op een wijze waarop verschillende invalshoeken en manieren van denken aan de orde komen?

Is het voor een bestuur van een land, een gemeente (ook: een bedrijf of een maatschappelijke organisatie) per se nodig om mensen met verschillende persoons- en ervaringskenmerken een zetel in het bestuur te geven om tot beslissingen te kunnen komen die zijn gebaseerd op ruimer denken, denken vanuit verschillende perspectieven (al helpt het wel)? Of is het ook denkbaar dat een niet erg divers samengesteld bestuur ook actief en regelmatig andere perspectieven aanboort en gebruikt bij zijn afwegingen?

Is het misschien zelfs wel ondenkbaar dat een bestuur zo divers wordt samengesteld dat alle relevante perspectieven op deze manier worden gedekt?

Kortom, is het voor een bestuur in essentie niet beter om veel energie te stoppen in het vinden en gebruikmaken van zoveel mogelijk invalshoeken, deskundigheden en manieren van denken, dan in het creëren van veel bestuurszetels en het vullen daarvan met mensen met zeer diverse achtergronden?

II
We hebben in dit land op nationaal niveau, provinciaal en gemeentelijk niveau een ambtelijke organisatie die beleid en wetgeving ontwikkelt en uitvoert, met daaraan gekoppeld een politieke organisatie (parlement en bestuur) die het beleid en de wetgeving mede-ontwikkelt, vaststelt en controleert. Ook de waterschappen hebben zo’n organisatie. Het bestuur wordt gevormd door politici die zijn gekozen in het parlement en bestaat vrijwel altijd uit politici, ook al is dat niet noodzakelijk zo.

Is het ook denkbaar dat die ambtelijke organisatie op een andere wijze gebruik maakt van het inbrengen van politieke keuzes en van een politieke vorm van controleren, dan te blijven werken met een politieke organisatie die de ‘baas’ is van de ambtelijke organisatie?

Hebben we algemene verkiezingen nodig voor de Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden om de juiste politieke opvattingen te integreren in het handelen van en het keuzeproces binnen de ambtelijke organisatie van het Rijk, de provincies en de gemeenten?

III
Ik stel deze vragen omdat onze parlementaire democratie helemaal niet zo goed functioneert als we zouden willen. De mechanismen die we gebruiken om de ‘volkswil’ te vertalen naar bestuurlijke keuzes zijn gebrekkig. Kiezersonderzoek (dpes.nl) toont aan dat het vertrouwen in de politiek dalende is, vooral op nationaal niveau.

Gebreken van de volksvertegenwoordiging waren er altijd al, maar nu we in een tijd leven dat een veel groter deel van de stemgerechtigden een mening heeft over diverse politieke vraagstukken – waarschijnlijk door secularisering, ontzuiling, individualisering, de werking van social media en steeds assertievere vormen van public relations door bedrijven en brancheorganisaties – openbaren die zich kennelijk steeds heftiger. Dat geldt met name voor polariserende effecten die verkiezingen oproepen in de samenleving. Ik heb het sterke vermoeden dat deze ontwikkelingen voorlopig nog zullen doorzetten.

De algemene verkiezingen die we periodiek houden hebben veel meer nadelen en zwakke elementen. We zouden de betekenis daarvan beter moeten leren doorgronden en herkennen. Ze zijn helder in kaart gebracht door Jason Brennan in zijn boek Against democracy (2016) en gestaafd op basis van resultaten van wetenschappelijke onderzoeken. Hij heeft dat weliswaar gedaan op basis van de situatie van de V.S. en van wetenschappelijke studies die Noord-Amerika betreffen, maar die zouden – eufemistisch uitgedrukt – alle heel wel ook in de Nederlandse en Europese context van toepassing kunnen zijn. Jason is daarmee niet de enige, zie bijvoorbeeld David van Reybrouck (Tegen verkiezingen, 2013).

Ik vat de kernbeweringen van Jason Brennan samen:
• De gemiddelde stemmer is slecht geïnformeerd. Mensen stemmen anders als zij beter geïnformeerd zijn. Met een beter geïnformeerd electoraat zou je betere kandidaten hebben met betere beleidsvoorstellen.
• In een democratie bestaat geen prikkel om je beter te laten informeren. De kans dat onze individuele stem een bepalend verschil maakt, is namelijk zo miniem dat we het ons kunnen veroorloven om ongeïnformeerd te blijven. Democratie moedigt ons zelfs aan om in bizarre collectieve fantasieën te geloven.
• Politieke participatie in de vorm van meer referenda is een slecht idee. Een referendum vereist kennis bij de kiezers en de meesten van ons beschikken daar niet over.
• Politieke participatie in de vorm van publieke raadpleging van burgers blijkt niet of nauwelijks op te leveren wat voorstanders hiervan verwachten, indien beraadslaging centraal staat bij de besluitvorming.
• Politiek is een zero-sum game, met winnaars en verliezers. Dit creëert tegenstellingen in de relationele sfeer en maakt ons als burgers onderlinge vijanden.
• Ons politieke tribalisme heeft ook een negatief effect op ons gedrag buiten de politiek en op ons vertrouwen in elkaar.
• De politiek zet een wereld van mogelijkheden vaak om in keuzes uit een zeer beperkt aantal mogelijkheden, vaak twee. Is de uitkomst dat de een zijn zin krijgt, is de ander de verliezer. De politiek creëert daardoor ook regelmatig problemen die ervoor niet bestonden.
• Medeburgers oefenen een macht uit over de ander op riskante en ondeskundige manieren.

IV
In mijn ogen biedt Jason Brennan geen goed alternatief, omdat hij het zoekt in de richting van een epistocratie, waarbij iemand het recht moet verdienen om een politiek ambt te mogen vervullen en om te stemmen, bijvoorbeeld op basis van een test op kennis. Hij werkt dit niet uit, ziet dat er tekortkomingen blijven maar stelt dat het erom gaat dat die minder ernstig zijn dan die kleven aan het huidige systeem. David van Reybrouck stelt als remedie een bi-representatief stelsel voor, een combinatie van gekozen en gelote volksvertegenwoordiging. Ik verwacht meer van een ander alternatief dat ik verderop benoem.

V
Nu heb ik geen hoop op daadwerkelijke invoering van een alternatief voor onze parlementaire democratie. Die is immers grondwettelijk vastgelegd en onze volksvertegenwoordigers vinden geen voldoende meerderheid in twee lezingen om verkiezingen en de positie van de Staten-Generaal en/of het provinciaal bestuur grondig te renoveren. De enige hoop zou nog kunnen zijn om, binnen de bestaande orde, experimenten mogelijk te maken en uit te voeren. Ook dat gaat de eerste decennia niet gebeuren, maar ooit zal het besef moeten gaan landen dat het huidige systeem van algemene verkiezingen zijn beste tijd heeft gehad en dat er een alternatief kan worden ontwikkeld dat ten minste in potentie beter gaat werken.

Overigens is dat ook besef nog mijlenver weg. Jason Brennan zegt daarover in een interview met Vrij Nederland (10 november 2016): “Democratie heeft een heilige status. Wie de democratie bekritiseert, toont een gebrek aan eerbied voor een hoog ideaal. (…) We zijn politieke participatie gaan zien als het hoogtepunt van ons burgerschap.” Van Reybrouck drukt het als volgt uit: “(…) we zijn allemaal electorale fundamentalisten geworden. Wij minachten de gekozenen, maar aanbidden de verkiezingen.”

VI
Mijn alternatieve denkrichting is gebaseerd op de vragen waarmee ik begon. Ik denk dat een bestuur dat niet divers is samengesteld – onder voorwaarden – prima in staat kan zijn om beleid te maken en uit te voeren dat is gebaseerd op diverse invalshoeken en meningen. Zo is naar mijn mening een ambtelijk samengesteld bestuur – eveneens onder voorwaarden – prima in staat beleid en wetgeving (of liever gezegd: algemeen verbindende voorschriften) te maken en uit te voeren dat de instemming kan wegdragen van een grote meerderheid van de samenleving. Ik werk dat hieronder op hoofdlijnen uit.

Het moet op gemeentelijk niveau mogelijk zijn de bestaande ambtelijke leiding van de gemeente het bestuur te laten vormen: een college van bestuur in plaats van, en ter vervanging van, het huidige college van burgemeester & wethouders dat ook een deel van de huidige bevoegdheden van de gemeenteraad krijgt, en daarnaast de gemeenteraad om te vormen tot een toezichtsorgaan waarvan de leden niet worden verkozen op basis van algemene verkiezingen, maar benoemd. Op rijksniveau (de ministeries samen) en provinciaal niveau moet eenzelfde omvorming mogelijk zijn.

Nu zijn er twee basale wegen naar zo’n college van bestuur: door zittende ambtelijke leidinggevenden het college te laten vormen, of door de collegeleden nieuw aan te trekken en daarmee de ambtelijke organisatie uit te breiden. In de praktijk zal het verstandiger zijn een middenweg te bewandelen.

De benoeming van de voorzitter van het college van bestuur van een gemeente kan, vergelijkbaar met de huidige benoeming van de burgemeester, blijven gebeuren, namelijk door de voorzitter van het college van bestuur van de rijksoverheid en met tussenkomst van de voorzitter van het college van bestuur van de provincie.

De crux is nu dat het benoemde college van bestuur de opvattingen die leven in de samenleving die het bestuurt op een andere en effectievere wijze integreert in zijn beleid, algemeen verbindende voorschriften en uitvoering en dat een raad van toezicht hierop toetst.

Die raad van toezicht kan een orgaan zijn met kenmerken van de afdeling Advies van de huidige Raad van State, van een raad van toezicht van een stichting en daarnaast van het parlement. De raad van toezicht benoemt de leden van het college van bestuur (op gemeentelijk en provinciaal niveau echter niet de voorzitter en op rijksniveau niet de secretaris).

Deze raad van toezicht heeft een vaststellende en goedkeurende taak. De raad van toezicht stelt alle besluiten zelf vast die in de huidige situatie de goedkeuring vereisen van de naast-hogere overheid, zoals het vaststellen van de jaarlijkse begroting; het college van bestuur van de naast-hogere overheid keurt die goed.

De raad van toezicht geeft goedkeuring op het uitvaardigen door het college van bestuur van algemeen verbindende voorschriften (op rijksniveau: wetten, algemene maatregelen van bestuur en goedkeuringswetten voor internationale verdragen; op decentraal niveau: verordeningen) en van beleid. De raad van toezicht zou in het bijzonder moeten toetsen op de kwaliteit van de wijze totstandkoming van de integratie hierin van de opvattingen die leven in de samenleving die het bestuurt. De raad van toezicht houdt toezicht op de regeling en het bestuur inzake de huishouding van de desbetreffende overheid, op de uitvoering en de algemene gang van zaken binnen de betrokken overheid en de daarmee verbonden onderneming of organisatie. Hij staat het bestuur met raad terzijde.

De raad van toezicht benoemt (na de eerste keer) zijn leden zelf. Bij de vervulling van hun taak richten de toezichthouders zich naar het belang van de betrokken samenleving en de onderneming of organisatie die is verbonden met de desbetreffende overheid. Dit alles zal moeten worden vastgelegd in de Grondwet.

De wijze van integreren van opvattingen uit de samenleving kan gedeeltelijk worden gereguleerd, maar zal voor een belangrijk deel ook moeten worden overgelaten aan de beleidsruimte/creativiteit van de ambtelijke organisatie en de raad van toezicht.

Vastgelegd zal moeten worden dat het bestuur voor elk voorstel voor beleid of wetgeving de opvattingen die leven in zijn geografisch gebied verkent en weegt op basis van de belangen van de samenleving. Ook zal moeten worden vastgelegd dat het wegen van belangen van de samenleving expliciet ook het wegen inhoudt van het belang van verbinding binnen die samenleving en het mede wegen van de belangen van de mede-overheden, binnen Nederland en Europa.

Dat betekent dat niet zonder meer kan worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat elke overheid deel uitmaakt van een grotere overheid binnen Nederland en een supranationale Europese overheid. Dit houdt ook in dat de belangen van minderheden binnen de ‘eigen’ samenleving relevant zijn. Dit betekent overigens niet dat iedereen binnen de betrokken samenleving zijn zin krijgt. Bij de weging van verschillende standpunten zullen keuzes moeten worden gemaakt om tot consistente beslissingen te komen die de belangen van de samenleving naar verwachting daadwerkelijk gaan dienen. Het betekent ook niet dat gestreefd zou moeten worden naar het bedienen van zoveel mogelijk inwoners en bedrijven.

Uiteraard zal ook moeten worden vastgelegd dat het college van bestuur periodiek (eens per vier of zes jaar) de contouren vastlegt hoe het dit denkt te gaan realiseren en per voorstel aangeeft hoe het dat specifiek voor dat voorstel heeft gedaan.

VII
Tot slot. Het klinkt misschien vreemd, maar een bestuur zonder vrouwen kan wel degelijk vrouwvriendelijk beleid voeren, zeker indien dat bestuur de opdracht daartoe krijgt en er toezicht op wordt uitgeoefend. Zo is ook politiek mogelijk zonder politici, en democratisch regeren zonder verkiezingen. Sterker nog: als we het goed regelen – en dat is beslist nog een fikse operatie, waarbij ook vele keuzes moeten worden gemaakt – zullen we daarmee meer bereiken dan met het huidige systeem, met minder onbedoelde neveneffecten.